Vierde boek
1 Een gebed van Mozes, de godsman.
Heer, U bent ons een toevlucht geweest
van geslacht op geslacht.
voor U aarde en land had gebaard –
U bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
en zegt: ‘Keer terug, mensenkind.’
als de dag van gisteren die voorbij is,
niet meer dan een wake in de nacht.
in de morgen, als opschietend gras
6 dat ontkiemt in de morgen en opschiet,
en ’s avonds verwelkt en verdort.
7 Wij komen om door uw toorn,
door uw woede bezwijken wij.
8 U hebt onze zonden vóór u geleid,
onze geheimen onthuld in het licht van uw gelaat.
9 Al onze dagen gaan heen door uw woede,
wij beëindigen onze jaren in een zucht.
of tachtig als wij sterk zijn.
Het beste daarvan is moeite en leed,
het gaat snel voorbij en wij vliegen heen.
11 Wie kent de kracht van uw toorn,
wie vreest oprecht uw woede?
12 Leer ons zo onze dagen te tellen
dat wijsheid ons hart vervult.
13 Keer u tot ons, HEER – hoe lang nog?
Ontferm u over uw dienaren.
14 Vervul ons in de morgen met uw liefde,
laat ons van blijdschap juichen, al onze dagen.
15 Geef ons vreugde, vergoed de dagen dat U ons kwelde,
de jaren dat wij ellende doorstonden.
16 Toon uw daden aan uw dienaren,
maak uw glorie bekend aan hun kinderen.
17 Laat ons uw genade zien, Heer, onze God.
Bevestig het werk van onze handen,
het werk van onze handen, bevestig dat.
© 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap